Bijlage: Instructie klapperlieden Arnhem 1727

Link naar de bijbehorende blog

Het document in scans

Het document in transcriptie

Gerevideerde en geamplieerde INSTRUCTIE voor de KLAPPERLIEDEN binnen de STAD ARNHEM

t’Arnhem, bij Hendrik van Goor, Ordinaris Boekdrukker van de Ed.Mog.Heeren Gedeputeerde Staten des Quartiers van Veluwen, 1727.

ART I.

In den eersten zullen die zelven gehouden zijn het geheele jaar door des avonds voor tien uuren (uytgenomen van den 1. May tot den 1. Augusti, wanneer zij zullen konnen volstaan met voor elf uuren te komen) te wezen op de respective rendevous om met den laatsten klokslag van tien of elf uuren te beginnen te roepen / door alle de straaten en steegen / die een ieder tot zijnen last heeft / welverstaande / dat zij doorgaans / namentlijk ten allen twee of drie huyzen / al gaande zullen klappen / ten minsten drie klappen / en t’elkens de uure duydelijk uytroepen. Zoo nogtans / dat zy ook vroeger op de Wagt zullen hebben te komen / en ook van half uur tot half uur te gaan / doende een stille ronde / zoo en als de heeren van de magistraat naar gelegentheyd van zaken zullen goedvinden te ordonneren.

II.

En zullen twee van dezelve klapperlieden / nu Willem van Heusden en Ruth Tuysman, hebben haar rendevous of loopplaats in de Broerenstraat in den Bijslag van den kuyper Hermannus van Renssen, gaande den eenen de Broerenstraat op / de Weverstraat door / tot aan het huys van den Borgermeester Spoltman in de Vijselstraat / en dan weer stil terug de Rhijnstraat door / en de Kortestraat af / alwaar hij weder zal beginnen te klappen en te roepen / de Oeverstraat af tot aan den kleynen-oort: en den anderen van het huys van Abraham Dankfoort op den hoek van de Broerestraat al klappende en roepende door de Turfstraat / de Trompetsteeg over de Merkt / en zoo weder / de Putsteeg aandoende agter Rodenburg heenen na de Samelplaats.

Hendrik Martens en Anthony Blaauw zullen hebben haar Rendevous op den Grooten-Oort in de stoep van Beekhuysen, van Bolk of elders daar omtrent / na dat het weer en wind is; en zal den eenen gaan de Rhijnstraat door / de Kortestraat af / en van daar na de Rhijnpoort en de Varkenstraat door / en den anderen van den Groten-Oort na de St. Janspoort / de Koornmerkt over door Tullekensteeg en de Lutersesteeg tot voor de Paauw.

Jan Munster en Hendrik Witvelt, hebben haar Rendevous aan het Land van de Markt in de stoep van Gerhardus Terhoeven of daar omtrent / naar dat het weer en wind is; en zullen beginnen van het Land van de Markt de Koningstraat in / door de Arke Noachs-steeg / de Pastoorsteeg / de Kerkstraat en dan de Bakkerstraat op tot in de Vijselstraat / van waar zij terug keeren en gaan agter Marienburg om tot op St. Jansplaats aan de Sandboersteeg en dan wederom te rugge de Kuyterstraat af en de Molenbeek over tot aan den hoek van de Straat van het Land van de Markt tot aan de Velperpoort / (’t welk gemeen is voor haar en die haar Rendevous op de Merkt hebben / zoo dat die ’t eerste daar is / de Straat van het Land van de Markt tot aan de Velperpoort af klapt:) En dan voorts door alle straaten en steegen binnen dat district / als de Ketelstraat met de Bentingsteeg / de Wielakker / Swaanen en Egmonts Steegen; doch het gemelte bovenste (zijnde van de Koningstraat) blijft het laatste uur voor die van de Merkt.

Erasmus ten Westen en Evert Nes, zullen hebben haar Rendevous op den Merkt / op het pothuys van Jacob Zurich, modo Jan van Tongeren; doch zijn om het andere uur bij die geene / die haar Rendevous hebben op het Land van de Markt in de Bijslag van Terhoeven of daaromtrent / om malkanderen des noods aan dien hoek te beter te konnen helpen; en moeten gaan over de Beek / St. Walburgen / over de Merkt / het Sand en de Koningstraat af / door Menthensteeg / de Klarestraat / tot aan den Krommen-Elboogsteeg / en in de Nijstadt.

III.

Zullen haar nuchteren en onbeschonken op die voorn. vergaderplaatzen begeeven / ende haar hoeden / van daar te gaan in eenige herbergen of andere huyzen / om te drinken / eer ende bevorens haar nagtwagt geeyndigt zy.

IV.

En zullen haar wel wagten eenige straaten of steegen elk in zyn quartier voor by te gaan of over te slaan / gelijk ook op verzoek van den eene of andere / ’t zy op voorwendzel van ziekte of anders buyten toestemming van een der heeren borgermeesteren in der tijdt / na te laten te klappen of te roepen.

V.

Zullen niet mogen gebruyken klompen of houte tripzoolen / als makende veel gedruys / en wordende in cas van nood door dezelven te zeer belemmert / in ’t nazetten en agterhalen der quaatdoenders.

VI.

Wedergekeert zijnde op haar vergaderplaats zullen met de laatste slag van elf of twaalf uuren wederom gaan klappen en roepen als vooren / en zulks de geheele nagt door van uur tot uur / namentlijk van den 1. April tot den 1. September ’s morgens tot drie uuren / van den 1. September tot den 1. December tot ’s morgens ten vier uuren / van den 1. December tot den 1. February tot ’s morgens ten vijf uuren / en van den 1. February tot den 1. April tot ’s morgens ten vier uuren; en zulks zoo wel des sondags als op de andere dagen / en niet na huys trekken voor dat zij ten minsten twee en twee malkanderen hebben verslag gedaan van den staat waar in het met haar wagt respectivelijk gestelt is.

VII.

Zullen suspecte perzonen / die zij vinden zonder ligt over straaten gaan / bezonder ook pierenzoekers / vermaanen haar van de straat te begeven; en indien zij weygerig zijn te vertrekken en die kennende / dezelven ’s anderen daags aan den borgermeester in der tijdt aangeven / doch quaad antwoord bekomende / of hun moetwillig aanstellende / en die niet kennende / zullen met hare klappen geluyt slaan om bij den anderen te komen / die aan te tasten en te leveren in handen van de wagt op het raadhuys.

VIII.

Dan gelijke zullen zij alle andere / die zij vinden eenige kleyne baldadigheyd / als schrappen met degens / roepen / schreeuwen / schellen of kloppen en diergelijke op de straaten te plegen / gelijke vermaningen / als vooren / hebben te doen / en in cas van verweygering van gehoor / daar mede handelen als gezegd.

IX.

Maar huysbrekers / dieven / straatschenders / die kloppen of schellen afdraayen / ijzer of houtwerk van de goten wringen / die lantarens of glazen inslaan / vegters / stoorders van de gemeene rust; en die geweld op huyzen of anders plegen; en diergelijke misbedrijvers / zullen zij op haaren eedt / dadelijk hebben te apprehenderen en op het raadhuys te brengen / als hier vooren gezegd / zonder de minste oogluykinge; en in val zij dusdane onverhoopt niet meester mogten konnen worden / zullen zij van het voorgevallene des morgens terstond kennisse hebben te geven aan den borgermeester in der tijdt.

X.

En ten eynde zoodane quaatdoenders te zekerder mogen worden gevat / zal die geene / die het eerst ongemak verneemt / terstond met zijn klap zoo lange geluyd maken / als hij kan / waar op die andere van gelijke haare klappen zullen slaan en voorts gaan na die plaatze / daar die eerste klap geluyd gemaakt heeft / om den een den anderen te assisteren / roepende de wagten / zoo nodig / ook tot hulpe.

XI.

Als ’t ’s nagts onweer is omtrent de uuren / dat zij volgens deze instructie / anders wel niet op de straat behoefden te wezen / zullen zij bij zoodanen val niet te min / op de straat en bij de handt blijven / om zoo veel mogelijk alle onheylen te helpen voorkomen.

XII.

Inval zij bevinden / dat voor iemands deure of in eenige straat heete assche of vuur mogt wezen uytgestort / zullen aan derzelver deuren / en naar gelegentheyd van zaken ook aan die van de naaste nabuur aankloppen om het zelve uyt te gieten / ten waare zo occasie hadden om het zelfs te kunnen doen.

XIII.

Zoo ras zij ergens brand vernemen / zullen zij terstond met de klappen allarm slaan / ten eynde de menschen bij de hand mogen komen om die te helpen blusschen.

XIV.

En zullen haar onmiddelijk daar na begeven na de plaats / daar den brand is / om aan de spuyten en vorders / waar toe zij zullen worden geoordeelt van dienst te konnen zijn / geemployeert te worden.

XV.

Nadien zij des nagts tog op de straaten moeten zijn / zullen zij ook goede agt geven / of de lantaarnen over al / ieder in zijn quartier / wel en zoo lange branden als het behoord / volgens den almanach / die haar ter hand gesteld zal worden; en manquement bevindende / zullen zij daar van des anderen daags berigt doen aan de heeren commissarien / tot het werk van de lantaarnen verordent.

XVI.

’s Winters als het vriest zullen zij de publycque pompen van tijd tot tijd aanhalen / om zoo veel doenlijk / voor te komen dat die tot ongeryf van den borger niet ligtelijk bevriezen.

XVII.

Iemand van haar krank wordende / noodzakelijk uyt de stad moetende zijn / of wettig belet hebbende / zoo dat hij zijn wagt niet konde waarnemen / zal gehouden zijn met kennisse en toestemming van een der heeren borgermeesteren en in der tijd / een ander bequaam persoon in zijn plaats te stellen op zijn eygene kosten.

XVIII.

Zullen / des gerequireert wordende / mede moeten assisteren bij de executie van het klapper- en lantaarngeld; bij den brand / als gezegd / en haar gewillig laten gebruyken tot alles / waar toe de magistraat haar / als suppoosten / tot dienst van de stad zal nodig oordeelen.

XIX.

Zullen jaarlijks hebben tot gagie een hondert en twintig gulden / waar van haar door den ontfanger of inmaner van het klappergeld in der tijdt alle drie maanden een vierde part uytgeteld zal worden; en alle drie jaaren kledinge als van ouds.

XX.

Zullen beloven en zweren dat zij haar in haaren dienst en conform deze instructie punctelijk en getrouwelijk zullen quyten en gedragen.

XXI.

En inval zij ’t een of ander poinct eenigzints tegen gingen / of daar omtrent gebrekkig vielen / zullen zij de eerste reyze worden gesuspendeert van officie en beneficie den tijdt van zes weeken / en de tweedemaal misdoende / de tijdt van een vierdeel jaars / en voor de derde maal zullen zij zonder oogluykinge absoluut worden gecasseert / zonder ooyt weer in eenigen dienst van de stad te mogen worden aangenomen / onvermindert de magistraat de vrijheyd en magt om naar gelegentheyd van zaken omtrent die qualijk doen ook arbitrair te mogen disponeren / zoo als bevonden zal worden te behoren.

XXII.

Haar Wel Edele en Agtbare rezerveren haar de faculteyt om deze instructie ten allen tijden mogen vermeerderen / verminderen of veranderen / zoo en als na occurrentie van zaken zal worden bevonden te behooren.

Aldus gedaan en gearresteert bij borgermeesteren, schepenen ende raad der stad Arnhem, den 21. November 1727.

Ter ordonnantie van denzelven – Engelb. Opten Noorth, Secret.

Links naar de bijbehorende blog