Michiel Michels – tabaksplanter, kurassier, koetsier, bode

Zoals beloofd pluis ik dit keer het leven uit van een van de mannen in het stamboek van het 1e regiment kurassiers: Michiel Michels. Het was een uitdaging aan mezelf: hoeveel kan ik terug vinden van een ‘gewoon’ persoon, zonder aristocratische wortels of rijkdom, als ik uitga van een naam en geboortedatum. Ik heb hem vrij willekeurig uitgekozen, en heb vrijwel alleen gezocht via wiewaswie.nl. Daarmee komt al genoeg van zijn leven naar voren voor een boeiende roman of speelfilm, zelfs als er niet zoveel details te vinden zijn als van de beruchte Jan la Pro.

Document

Het stamboek van het 1e regiment Kurassiers is terug te vinden op de website van het Nationaal Archief. Onder nummer 3772 vinden we Michiel Michels, geboren in Huissen.

Bij zijn aankomst bij het korps is hij 19 jaar oud, en 1 el 7 palmen 3 duimen 3 strepen lang (ik geloof dat dit neerkomt op zo’n 1,73m, maar daar kan ik naast zitten). Hij heeft blauwe ogen en bruin haar, met een rond gezicht.

Michiel is ingeloot onder nummer 55 (de laagste nummers werden opgeroepen) voor de Nationale Militie van 5 jaar. Hij wordt automatisch ingedeeld bij de infanterie. Maar binnen twee weken wordt hij overgeplaatst naar de 1e afdeling kurassiers.

Michiel’s jeugd in de Over-Betuwe

Eerst even terug naar Michiel’s afkomst. Michiel wordt op 16 juli 1812 geboren als oudste zoon van Gijsbertus (Bart) Michels en Wilhelmina Derksen in het gehucht Malburgen bij Huissen, onder Arnhem in de Over-Betuwe. Drie maanden na huwelijk van zijn ouders om precies te zijn, maar dat was niet heel ongebruikelijk in die tijd. Er volgen nog twee dochters en twee zoons. Het gezin is Rooms-Katholiek.

Een paar jaar later verhuist het gezin naar Driel bij Heteren. Vader Bart Michels klimt op van dagloner via boerenknecht tot tabaksplanter.

Ik wist het niet, maar de Betuwe stond tot begin 20ste eeuw bekend om de tabaksteelt. Dit zijn vaak kleine boerenbedrijven. Alleen al in de gemeente Heteren werken 147 kleine tabaksplanters. Michiel zal in zijn jonge jaren ook meegewerkt hebben bij het plukken, klaarmaken en drogen van de tabaksplanten. Zijn twee jongere broers en een zus blijven hun leven lang in de Betuwe als tabaksplanters in Driel en Elst. Zo zou je je zelfs nog kunnen voorstellen dat de oudere man op de foto uit 1912 een zoon van een van Michiel’s broers is.

Maar Michiel’s leven loopt anders.

Diensttijd in oorlog

Tafereel uit de Tiendaagse Veldtocht tegen de in opstand gekomen Belgen, augustus 1831, door Wouter Verschuur. Meerdere kurassiers te paard te herkennen, inclusief stijve stevels.

Zoals boven vermeld wordt hij maart 1831, op 18-jarige leeftijd, ingeloot bij de Nationale Militie. Van 1831 tot 1834 maakt hij deel uit van het mobiele leger dat in het zuiden actief is tijdens de opstand van België. Ook maakt hij de 10-daagse veldtocht in augustus 1831 mee.

Ik kan niet helemaal traceren waar hij en zijn regiment zich in die tijd bevonden. Dit bericht uit de Arnhemsche Courant van 16 augustus 1831 geeft een beschrijving van de acties van een troep Nederlandse kurassiers bij het dorp Rummen (ten westen van Hasselt) – “gij ziet, dat het geen slag was, maar iets, dat nog erger is” (maar het is een beschrijving door de tegenpartij natuurlijk):

Alle soldaten die deelgenomen hadden aan de Tiendaagse Veldtocht kregen later een onderscheiding: het Metalen Kruis, een herinneringsmedaille vervaardigd uit 3 buitgemaakte, bronzen kanonnen van het Belgische leger. Michiel ontvangt het Metalen Kruis op 13 juli 1832.

De slag bij Bautersem, 12 augustus 1831, gedurende de Tiendaagse Veldtocht, door Nicolaas Pieneman. Een kurassier is in het midden te herkennen aan zijn helm.

Terug in het civiele leven

Als Michiel op 27 november 1836, na ruim 5 jaar in dienst, met groot verlof gaat en terugkeert naar zijn ouders stel ik me zo voor dat hij niet meer kan aarden op de kleine tabaksboerderij in Driel. Zijn familie heeft waarschijnlijk nooit een voet gezet buiten het land tussen Rijn en Waal. Zijn zus Hendrina, 4 jaar jonger dan hij, is in augustus 1831 overleden op 15-jarige leeftijd, toen ze als dienstmeisje werkte in het dorp. En wie weet wat Michiel aan oorlogstrauma’s heeft meegenomen.

Als ik hem in 1838 weer kan traceren, dan 26 jaar oud, werkt hij in Arnhem als koetsier. Hij trouwt met de 38-jarige Gerritje Jansen. Zij is Nederlands Hervormd, geboren in Oosterbeek, en werkt als dienstbode. Haar vader was boer en herbergier. Michiel heeft voor dat huwelijk trouwens nog steeds de toestemming nodig van de commandant van de kurassiers, want officieel is hij alleen nog op ‘groot verlof’. Pas op 15 september 1839 wordt hem ontslag uit dienst verleend.

Bode bij de provincie in Assen

Op 10 april 1840 verhuist Michiel naar Assen met zijn echtgenote en hun baby, zoon Gijsbert, van nog geen jaar oud. Ze wonen eerst in een huis aan de Brink in Assen, en later in de Kruisstraat. Ze zijn naar Assen verhuisd omdat Michiel werk heeft gekregen als bode en concierge voor het provinciaal bestuur van Drenthe.

Het voormalig kloostergebouw aan de Brink te Assen dat dienst deed als gouvernementsgebouw; foto uit 1881.

Er volgen nog een zoon (Willem, 1841) en dochter (Arnolda, 1843), maar zij worden niet ouder dan 1-2 jaar. In 1849 overlijdt Gerritje en Michiel blijft achter met zijn 10-jarige zoon Gijsbert. Drie jaar later trouwt weduwnaar Michiel met Helena Catharina de Mulder (1811-1895), dochter van katholieke logementhouders uit Groningen.

Michiel blijft de rest van zijn leven werken als bode bij de provincie. Hij overlijdt op 1 januari 1861, op 48-jarige leeftijd. De oorzaak staat niet vermeld.

Twee onopgeloste kwesties en mijn verbeelding

Er zijn nog minstens twee onopgeloste bevindingen in het leven van Michiel Michels die me nieuwsgierig maken.

Ten eerste is er een stiefdochter, Johanna Wilhelmina. Zij duikt plotseling op in Assen in 1845, als ze 18 jaar oud is, en komt bij het gezin wonen.

Zij is geboren op 13 maart 1827 in Oosterbeek, als dochter van de ongehuwde Gerritje Jansen. De aangifte bij de burgerlijke stand wordt gedaan door de vroedvrouw. Er wordt geen vader opgegeven. Gerritje’s vader Willem en haar halfbroer Evert de Geest zijn aanwezig bij de aangifte. Het was dus geen geheim voor de familie.

We kunnen alleen maar speculeren over waar Johanna de eerste 18 jaar van haar leven heeft doorgebracht.

(Misschien is ze ondergebracht in het gezin van Evert de Geest – daar is in januari 1827 net een tweede dochter geboren, die ook Johanna Wilhelmina genoemd is. In dat boerengezin in Oosterbeek worden daarna nog 3 zoons geboren. Maken we er in onze verbeelding een gelukkige jeugd van? of was het ongelukkig, werd ze altijd anders behandeld dan de eigen kinderen, en hoorde ze pas toen ze 18 jaar was wie haar echte moeder was?)

Acte van aangifte van Johanna Wilhelmina, 28 november 1845 in het geboorteregister van Assen; met originele handtekeningen van Michiel Michels en Gerritje Jansen (die zelf haar naam hier trouwens met 2 s-en schrijft).

In 1845 gaan Michiel en Gerritje naar het stadhuis in Assen om Johanna Wilhelmina aan te geven in het geboorteregister, als 18-jarige. Dat is de eerste keer dat ik zoiets aangetroffen heb. Ik denk dat ze (onterecht?) dachten dat ze haar daarmee officieel adopteerden. In 1847 wordt de officiele erkenning van Johanna Wilhelmina als dochter bijgeschreven in het huwelijksregister bij het huwelijk uit 1838*.

(Het lijkt uitgesloten dat Michiel Michels de echte vader is – hij was pas 15 jaar in 1827, en het lijkt me sterk dat destijds in het tabaksplantersgezin geld was voor een dienstbode aan huis, en dan een geheime relatie met de zoon des huizes. Ook staat er in de acte uit 1845 expliciet dat het gaat om een kind van Gerritje, zonder vermelding van de vader).

Zoon Gijsbert

En dan nog Michiel’s zoon Gijsbert. Hij overlijdt ook al tragisch jong, in 1862 op 22-jarige leeftijd. Hij is dan aan het werk als klerk bij de griffie van het provinciaal bestuur van Drenthe in Assen. Dat wijst er denk ik op dat hij in ieder geval een goede scholing heeft gehad. Hij overlijdt in een huis in de Heerestraat in Groningen, waar de moeder van zijn stiefmoeder Helena de Mulder woont. Het lijkt er dus op dat Helena de Mulder na de dood van Michiel weer bij haar moeder is ingetrokken in Groningen, en dat Gijsbert daar op bezoek is. Misschien wel om de feestdagen samen te vieren.

Ik kan zijn officiele geboorteregistratie niet vinden. Maar in het bevolkingsregister van Assen wordt zijn geboortedatum aangegeven als 5 mei 1839. En als geboorteplaats: ’t Loo, gemeente Apeldoorn.

Paleis het Loo, 1828

Wat deed Michiel Michels in 1839 in ’t Loo?

En is het niet heel toevallig dat Gijsbert ook op 1 januari overlijdt, precies een jaar na zijn vader?

(Mijn schrijversfantasie vult aan: Michiel is met een post-traumatische stress-stoornis uit de oorlog gekomen. Daar is destijds natuurlijk geen naam voor. Hij weet zijn leven redelijk op de rails te houden. De baan bij de provincie Drenthe heeft hij te danken aan een strijdmakker uit zijn diensttijd. Michiel is niet makkelijk om mee te leven, zeker niet na de dood van twee van zijn kinderen en zijn vrouw, en daarna ook nog stiefdochter Johanna. Hij pleegt op 1 januari 1861 zelfmoord.

Zoon Gijsbert heeft een moeilijke jeugd gehad met een zwijgzame vader, en het overlijden van zijn moeder als hij 10 jaar is. Hij is het die zijn vader dood aantreft op 1 januari 1861. Zijn stiefmoeder heeft hem eind 1861 uitgenodigd in Groningen, omdat ze niet wil dat hij alleen is in die donkere dagen. Op de verjaardag van de zelfmoord van zijn vader maakt Gijsbert zelf ook een einde aan zijn leven. Maar dat is allemaal alleen mijn verbeelding – er zijn vele andere verklaringen te verzinnen).

Conclusie

Missie geslaagd. Met alleen een online zoektocht heb je kans dat je al heel wat te weten komt over een willekeurige persoon uit de geschiedenis. Niet altijd – als iemand een veelvoorkomende naam heeft, of als iemand geen kinderen krijgt of ongetrouwd blijft wordt het al veel moeilijker.

Zo weten we wat meer over een van de kurassiers van het Nederlandse leger ten tijde van de Belgische opstand.

Bronnen afbeeldingen

*) Johanna Wilhelmina trouwt in 1848 met Isebrant Buirema, een koekbakker uit Groningen. Ze krijgen een dochter, Geziena, in 1850. Johanna Wilhelmina overlijdt op 9 april 1851, 24 jaar oud. Isebrant verhuist naar Amsterdam. Hun dochter lijkt niet ouder dan een jaar of 10 geworden te zijn, en verdwijnt dan uit de geschiedenis.

Drie kinderen overleden in 11 dagen tijd

Het is april 1871. Timmerman Frederik de Meij (27) en naaister Petronella Sander (25) zijn 5 jaar getrouwd, en wonen in Kralingen met drie jonge kinderen: Lena (5), Trijntje (3) en baby Wilhelmina (6 maanden). Dan slaat het noodlot toe: 19 april overlijdt Lena, 28 april Trijntje en 30 april Wilhelmina. De ouders blijven alleen achter. Wat is er gebeurd?

Rotterdam rond 1863, door Gerardus Johannes Bos

Informatie overlijdensregister

In het overlijdensregister van de burgelijke stand vind je heel wat informatie, maar niet de doodsoorzaak. Overlijden van kinderen van hun geboorte tot 5 jaar oud is niet zeldzaam – dat is het pas de laatste decennia geworden. Maar 3 kinderen uit één gezin zo kort op elkaar, dat is niet gewoon. De eerste gedachte is natuurlijk een besmettelijke ziekte.

Een simpele telling van het aantal overlijdens in de gemeente Kralingen* in april 1871, vergeleken met het aantal in april 1872, laat een schokkend groot verschil zien: 100 overlijdens tegen 16 in 1872. Er is duidelijk een zgn “oversterfte” in de maanden februari-juni 1871.

En de meeste extra sterfte is onder kinderen van 0-5 jaar oud.

Ik heb geen betrouwbare gegevens over inwoner-aantallen van de gemeente Kralingen in 1871-1872 kunnen vinden bij een snelle zoektocht. Je zou natuurlijk nog verder kunnen gaan, door de overlijdens per wijk te tellen bijvoorbeeld. Maar laat ik nou weer niet gaan doordraven.

Hoe zat het in buurgemeente Rotterdam?

Ik heb ook even een snelle ruwe schatting gemaakt van de overlijdens in de buur-gemeente Rotterdam in die periode, aan de hand van de acte-nummers (dus niet individueel nagelopen). Er waren in die 5 maanden van 1871 3338 overlijdens, tegen 1744 overlijdens in dezelfde maanden in 1872. Bijna het dubbele. Rotterdam had in die tijd ongeveer 100,000 inwoners. Voor een snelle, ruwe schatting kom je uit op zo’n 1594 overlijdens als “oversterfte”. Dat wil zeggen dat 1,6% van de bevolking van Rotterdam extra stierf in 5 maanden tijd.

(Ik weet, dat is natuurlijk niet wetenschappelijk verantwoord. Je moet daar veel meer factoren bij incalculeren. Maar het geeft een idee).

Rotterdam in 1871: aanleg van het luchtspoor ter plaatse van de gedempte Binnen-Rotte

Epidemie: pokken

Als je een internet-search doet op “Epidemie 1871” kom je er snel genoeg achter: pokken, in die tijd ook wel de kinderziekte genoemd. Een grote pokken-epidemie waarde door Europa, inclusief Nederland (zie links onder ‘verder lezen’ om meer over deze epidemie te weten te komen). En onder deze link vind je een chronologische lijst van epidemieen, met nadruk op Nederland en Belgie. Die zelfde site Yory helpt ook met een handig overzicht van archiefbronnen over slachtoffers van epidemieen in Nederland.

Algemeen Handelsblad (Nieuwe Amsterdamsche Courant), maandag 6 maart 1871 – via Delpher.nl

In die lijst archiefbronnen staat Kralingen niet – en ook bij een online zoektocht in het archief van Kralingen vind ik geen documentatie over de pokkenepidemie. Maar in het archief van Rotterdam is wel veel te vinden. Duizenden namen en adressen van mensen die de pokken hadden, op verschillende lijsten, chronologisch en alfabetisch, inclusief hun vaccinatie-status. Ook de mensen die het wel overleefd hebben. Dus interessant als je op zoek bent om meer te weten te komen over Rotterdammers uit die tijd.

Individuele patienten

Zo vind je bijvoorbeeld onder “V” in het alfabetische register van de pokkenepidemie van 1871 in Rotterdam een “W.J.A. Voorrips” **. Daar vind je het volgnummer 2246. Zo kun je de bijbehorende melding vinden in een ander register (zie afbeelding). Ze is 6,5 jaar oud, en woont in de Hoogstraat. Er zijn nog 2 schoolgaande kinderen in huis, en er wordt aangegeven waar ze naar school gingen. In weer een ander register, ditmaal chronologisch, kun je vinden welke dokter aangifte heeft gedaan. En ook dat het meisje wel gevaccineerd was.

Er is geen nummer ingevuld voor het bewijs van geweken besmetting – de arme kleine Wilhelmina Voorrips overleed op 19 april 1871***. Dezelfde dag als Lena de Meij.

Terug naar Frederik en Petronella

Frederik de Meij was de oudere broer van de moeder van de vader van de moeder van mijn moeder (de broer van mijn bet-overgrootmoeder dus). Frederik en zijn vrouw komen beiden uit een groot gezin, waarvan ook een aantal kinderen op jonge leeftijd overleden. Dat was helemaal niet ongebruikelijk. Maar 3 jonge kinderen in een maand verliezen, en achterblijven in een leeg huis, dat is wat anders. Het archief laat ons niet de emotionele schade zien.

In de zomer van 1871 is Petronella weer zwanger, en ze krijgen uiteindelijk nog 2 zoons en 5 dochters tussen 1872 en 1889, naast een levenloos geboren kindje in 1888****. Deze zeven kinderen overleven allemaal hun ouders. Frederik overlijdt in 1909, 65 jaar oud, en Petronella in 1933, op 88-jarige leeftijd. Ik weet zeker dat ze die april maand 1871 nooit vergeten is, ook niet 62 jaar na dato.

Voetnoten

*) Kralingen werd in 1895 bij de gemeente Rotterdam gevoegd. Zie hier voor informatie over de groei van Rotterdam in de 19e eeuw.

**) Wilhelmina Voorrips (1864-1871), dochter van Johannes Voorrips, slepersknecht en Carolina Voges. Dit is ver-verwijderde familie van me, we hebben een gemeenschappelijke voorouder in Gerrit Verrips (1722-1817). Zie ook https://verrips.com voor een hele genealogie van de Verrips/Voorrips familie.

***) Trouwens: dit overlijden staat dan weer niet genoteerd in de registers van de pokkenepidemie, dat moet je terugvinden in het overlijdensregister. De kolom ‘afloop’ in deze registers kun je dus niet vertrouwen.

****) De eerste is een zoon genaamd Willem Frederik (naar de vader van Frederik, en ook naar de overleden baby Wilhelmina Frederika), daarna dochters Trijntje (naar de moeder van Petronella, en de overleden dochter) en Lena (naar de moeder van Frederik en de overleden dochter opnieuw).

Verder lezen en bronnen

Afbeeldingen

Kapitein Van Duffelen en de Californische goudkoorts

De Vlaardingse kapitein ter koopvaardij Gerrit van Duffelen (1810-1892) haalt in 1849 alle Nederlandse kranten in een bericht over de Californische goudkoorts. Hoe zit dat?

Het document

Dit bericht stond in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) van 18 december 1849, en in talloze andere kranten van die dagen werd het bericht overgenomen.

Context: Californische goudkoorts

De ‘Californian Gold-rush’ van 1848 spreekt nog steeds erg tot de verbeelding, ook door vele films en tv-series. Een mooi stuk over deze goudkoorts is recent verschenen op historianet.nl, en ook wikipedia heeft een uitgebreide pagina met details.

Kapitein van Duffelen en het hoekerschip Oceaan

In de Maritiem-Historische Databank kunnen we meer informatie vinden over de gezagvoerder, kapitein Gerrit van Duffelen, met welke schepen hij gevaren heeft, zijn afkomst, en nog wat andere details. Hij voer voor de Vlaardingse firma A.Hoogendijk Jz.

Die firma geeft reclamemateriaal uit waarop het hoekerschip Oceaan trots afgebeeld wordt, links op de plaat. Dit schip was in 1848 gebouwd, dus gloednieuw toen kapitein van Duffelen (toen 38 jaar oud) ermee eerst naar Valparaiso in Chili voer, en daarna naar de baai van San Francisco. Die eerste tocht duurde van 9 december 1848 tot 29 maart 1851.

Gerrit van Duffelen was getrouwd met Regina Pleijsier. Zij bleef de meer dan 2 jaar van zijn afwezigheid alleen achter met 5 kinderen van 8 jaar en jonger, waaronder een baby van nog geen jaar oud. Dat was denk ik erg gebruikelijk in Vlaardingen in die tijd. Na zijn terugkeer kregen ze nog 3 kinderen. Hij bleef nog jaren varen als kapitein, tenminste tot 1870. Hij overleed op 82-jarige leeftijd in Rotterdam.

Kapitein Gerrit van Duffelen was de broer van de moeder van de oma van mijn oma (de broer van de moeder van de moeder van de vader van de moeder van mijn vader om precies te zijn). Zal ik voortaan zeggen dat ik mijn leiderschapskwaliteiten via die kant geerfd heb?

Zoals altijd: weet je meer over Kapitein van Duffelen of deze tocht, laat het me weten via een reactie hieronder.

Verder lezen en bronnen

Huiszittenhuizen rond 1850

In wiewaswie.nl staan al veel registers online, waarmee je verder kunt gaan dan alleen geboorte, huwelijk en overlijden. Zo staat Jacoba Sara Kramer in het register van de huiszittenhuizen. Wat betekent dat nu weer? Armoede.

De context: huiszittenhuizen in Amsterdam in de 19e eeuw

In het midden van de 19e eeuw was er veel armoede in Amsterdam, vooral onder de arbeidersklasse. Grote gezinnen woonden in kamers in krottenwijken, met weinig geld voor gezond eten, en waar het wemelde van ziektes. Veel arbeiders werden niet oud.

De zorg voor armen viel van oudsher onder het Amsterdamse stadsbestuur. De armen van Amsterdam die wel een dak boven hun hoofd hadden maar niet genoeg geld hadden om rond te komen werden huiszittende armen genoemd. Zij konden voor steun terecht bij de Huiszittenhuizen. Deze hebben bestaan tot 1870.

Het Nieuwezijds Huiszittenhuis bevond zich aan de Prinsengracht, bij de Leliegracht, nu nummer 237. Er was een pakhuis voor opslag, en daarnaast een kantoor voor de regenten, en een bakkerij waar brood voor de armen werd gebakken. Daartussen in stond een laag gebouw waar de huiszittende armen zich konden inschrijven (nu nummer 235), met een binnenplaats waar het voedsel uitgedeeld werd.

Bij de Wet op het armbestuur uit 1854 werd de armenzorg wettelijk geregeld. Volgens die wet kwam het zwaartepunt van de armenzorg bij de kerken te liggen, waarbij gemeenten slechts een aanvullende rol hadden. Dit werd een aantal jaren later alweer bijgesteld. Maar je ziet in het register van de huiszittenhuizen in de loop van de jaren ’50 van de 19e eeuw de kerkelijke gezindte van de armen vermeld.

Het document: Jacoba Sara Kramer en haar gezin

Jacoba Sara Kramer (1814-1855) is de moeder van de vader van de moeder van de vader van mijn moeder, oftewel voorouder 5 generaties terug. Zij is de grootmoeder van Barendina Jacoba van der Heiden, die ik in een eerdere blog al liet zien op een mooie foto met haar gezin. En ze is de zus van Henrich Adolph Cramer, die als jongeman als matroos bij de marine gevaren heeft, zoals in een andere blog-bericht vermeld.

Jacoba Sara Kramer in het huiszittenhuizen register

Zij schrijft zich in 1848 in bij de huiszittenhuizen, met 3 kinderen onder de zes jaar. Het beroep van haar man, Antonius of Antonie van der Heiden, staat vermeld als opperman. Dat moest ik even opzoeken, maar blijkt nog steeds te bestaan als beroep in de bouw. Een opperman is iemand die zorgt voor de tijdige aanvoer van materialen en hulpmiddelen die nodig zijn in de bouw. Hij assisteert dus de vakmensen zoals metselaars en straatmakers op de werkplaats.

In 1830 (in het militieregister) en in 1841 (bij zijn huwelijk) wordt trouwens nog vermeld dat Antonie van der Heiden schoenmaker is. Blijkbaar heeft hij het in dat beroep niet kunnen redden.

Het gezin woont (volgens het bevolkingsregister van 1853) aan de Plantage Prinsengracht huis nr 5 (of 203?). Van hun familie konden ze niet veel hulp verwachten in hun armoede. Haar beide ouders zijn al overleden. Antonie’s vader leeft nog, maar woont (in 1858) in een kelder aan de Utrechtse Dwarsstraat, dus zal waarschijnlijk ook niet veel geld gehad hebben. Haar broer Henrich (de matroos in zijn jonge jaren) lijkt iemand van 13 ambachten geweest te zijn. En haar schoonzus Johanna heeft zelf ook van 1848-1857 op het register van de huiszittenhuizen gestaan met hun kinderrijke gezin.

De eerste jaren ontvangt Jacoba Sara Kramer alleen bedeling in de wintermaanden, niet in de zomer. Het werk in de bouw is in de winter veel minder voorhanden natuurlijk. In 1855 krijgt ze ook hulp in de zomer. Misschien was haar gezondheid toen al slecht. In 29 juli 1855 overlijdt zij aan “zenuwzinkingziekte”, op 41-jarige leeftijd. Dat “zenuwzinkingziekte” is een vrij slecht gedefinieerde term. Als ik het goed begrijp kan dat eigenlijk elke ziekte met koorts en onwelbevinden zijn.

Weduwnaar Antonie van der Heiden in het huiszittenhuizen register

Haar man Antonie blijft achter met de drie kinderen, tussen de 9 en 13 jaar. Als weduwnaar wordt hij nu zelf ingeschreven, met zijn drie kinderen, om in de winter hulp te ontvangen. Tot hij overlijdt op 15 december 1858, op 47-jarige leeftijd, na een opname van 36 dagen in het Buitengasthuis. Als doodsoorzaak voor hem wordt opgegeven “maagtering”. Dit zou kunnen wijzen op tuberculose (= tering), maar schijnt ook wel gebruikt te zijn voor een maagzweer of andere maagproblemen.

Dat ziekenhuis, het Buitengasthuis in Amsterdam, had niet zo’n goed reputatie trouwens. Volgens de wikipedia-pagina: “[…] het Buitengasthuis bleef bestaan als ziekenhuis voor de allerarmsten van de stad. Hier werden ongeneeslijk zieken, geestelijk zieken en lijders aan besmettelijke ziekten naartoe gestuurd. Met de verpleging en medische behandeling was het zeer slecht gesteld.

De Oostenrijkse arts Joseph Speilt, die het Binnen- en Buitengasthuis in 1852 bezocht, schreef in zijn verslag […]: “Hoe moeten we deze twee verpleeginrichtingen beschrijven, die op geen enkele wijze die naam verdienen? Als wij bijzonderheden opsommen, blijkt als vanzelf dat ze het tegendeel zijn van wat ziekenhuizen behoren te zijn. (…) Op iedere buitenstaander maakt deze plek een hoogst onaangename indruk. Op zeshonderd zieken zijn er slechts twee artsen.”

Het verplegend personeel noemde hij een afschrikwekkend voorbeeld van ruwheid, traagheid en smerigheid. Het stond er bekend om dat ze de medicijnen bij opbod verkochten aan de patiënten, en dure medicijnen zoals morfine achteroverdrukten. Het personeel at het voedsel voor de patiënten zelf op, en er was sprake van drankmisbruik en mishandeling.”

Het Buitengasthuis in Amsterdam in 1886

Kerkelijke gezindte

Antonie van der Heiden is als baby gedoopt voor de Rooms-Katholieke kerk. (En zou het R.C. in de vermelding in het huiszittenhuis register bij zijn vrouw in 1848 ook niet staan voor Rooms-Katholiek? zie plaatje bovenaan). Maar in het bevolkingsregister van 1853 staat hij vermeld als Nederlands Hervormd. En in het huiszittenhuis-register staat hij opgegeven als vallende onder de verantwoordelijkheid van de (hervormde) diaconie.

Hij blijkt op 17 maart 1855 lidmaat geworden te zijn van de hervormde kerk, dus een paar maanden voor het overlijden van zijn vrouw. En zijn verweesde kinderen worden na zijn dood dan ook opgevangen in het Diaconie weeshuis. Maar daarover waarschijnlijk een andere keer meer. Mijn cynische maar begripvolle gedachte is dat mogelijk het weeshuis van de Diaconie beter was dan het weeshuis van de Rooms-Katholieken. Maar wie weet is het wel uit volle overtuiging geweest, of om zijn ernstig zieke vrouw een plezier te doen.

Verder lezen

Bronnen

Rechtsvermoeden van overlijden, 1888

Bij het snuffelen naar informatie over mijn voorouders kwam ik dit krantenberichtje tegen uit 1888. Het zat tussen de krantenknipsels die je (digitaal) kunt doorzoeken bij het Centrum voor Familiegeschiedenis (CBG). Eén van de verzamelingen van het CBG bestaat uit zo’n twintig miljoen familieadvertenties: overlijdensadvertenties, geboorte-aankondigingen enzovoort. Een erg leuke bron natuurlijk. Maar zo’n advertentie als deze was ik nog niet tegengekomen. Waarom wilde Liedewij Glansdorp haar stiefzoon dood laten verklaren? En wat was er gebeurd? Aanleiding voor een speurtocht, en ik heb het antwoord gevonden!

Voor de duidelijkheid: het was van oudsher gebruikelijk dat vrouwen ook na hun huwelijk bekend bleven onder de achternaam waar ze mee geboren waren, dat zie je ook weer in deze advertentie. Dus dat houd ik hier ook aan.

De context: het gezin van Liedewij Glansdorp

Elisabeth Zebel, dochter van Liedewij Glansdorp en Abraham Zebel

Liedewij Glansdorp (1829-1891) was de grootmoeder van mijn grootmoeder aan mijn vaderskant. Zij was geboren en getogen in Vlaardingen. Op 38-jarige leeftijd, in 1867, trouwde zij met Abraham Zebel (1819-1885). Hij was weduwnaar van Neeltje van Willigen (1819-1862), met wie hij 5 nog levende kinderen had, en Maartje van der Pijl (1816-1866), die uit een eerder huwelijk 4 nog levende kinderen had. Dus Liedewij werd stiefmoeder van 9 kinderen tussen de 9 en 22 jaar. Eén van de stiefkinderen was de dan 14-jarige Nicolaas (geboren 1853).

Liedewij Glansdorp en Abraham Zebel kregen samen ook nog 3 kinderen, waarvan twee de eerste levensjaren overleefden: Willem Zebel (geboren in 1868) en Elisabeth Zebel (geboren 1869). [Elisabeth Zebel werd later de moeder van de moeder van mijn vader.]

Abraham Zebel was zeeman, kwam uit een familie van vissers en zeemannen, en zijn zoons volgden in zijn voetsporen. Liedewij Glansdorp kwam zelf uit een familie van arbeiders en boeren, maar als echte Vlaardingse zal ze vertrouwd geweest zijn met de gevaren van het zeemansbestaan. Haar stiefzoon Abraham overleed in 1882 op 26-jarige leeftijd op zee.

Ingekleurde litho getiteld ‘De Haven te Vlaardingen in 1869’ naar origineel door van Zijdeman & van der Velden. Uitgave van J.F.C. Brückwilder

Toen Abraham Zebel in 1885 overleed was Liedewij Glansdorp 56 jaar, en leefde ze samen met haar twee eigen kinderen, Willem (17 jaar) en Elisabeth (16 jaar). Acht van haar 9 stiefkinderen waren tegen die tijd getrouwd (en stiefzoon Abraham dus inmiddels overleden). De negende was Nicolaas Zebel, en daar gaat het nu over.

De Oude Haven tijdens Vlaggetjesdag 1886, de dag waarop de haringvloot uit vaart

Het document: verklaring van rechtsvermoeden van overlijden

In de advertentie uit 1888 wordt vermeld dat Nicolaas Zebel vermoedelijk al in februari 1870 is overleden. Een zoektocht, vooral in oude kranten via Delpher, heeft onthuld wat er gebeurd is, en waarom het voor Lidewij Glansdorp in 1888 zo belangrijk is om hem alsnog officieel dood te laten verklaren.

Nicolaas was dus als 16-jarige matroos uitgezeild op een visserschip, genaamd de Dolphijn. Over het lot van De Dolphijn is meer te vinden op een website ter nagedachtenis van omgekomen Scheveningse vissers. Tijdens een storm van 21/22 februari 1870 is de zeillogger ‘Dolphijn’ van de ‘Haagsche Zeevischmaatschappij Regt door Zee’ op de Grote Visschersbank voor Texel vergaan. Twaalf vissers kwamen daarbij om. (De schipper wordt daar trouwens Pieter Buijs genoemd, niet Pieter Bos.) Het is ook terug te vinden in kranten uit 1870.

Aquarel voorstellende ‘Een logger, zeilend op zee’ door T. Zwanenburg (Sergeant der Artillerie), gedateerd oktober 1880

Het is een lang proces dat doorlopen moet worden voordat er officieel een “rechtsvermoeden van overlijden” wordt verklaard. Tussen januari 1887 en januari 1888 wordt Nicolaas Zebel drie keer gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank, via aankondigingen in verschillende kranten. Pas als hij 9 april 1888 nog steeds niet verschenen is, volgt het gewenste vonnis.

Waarom?

Waarom was dit zo belangrijk voor Lidewij Glansdorp dat ze er 18 jaar na dato zo veel moeite in steekt om haar stiefzoon dood te laten verklaren? Dat heeft te maken met haar eigen zoon, Willem Zebel. Hij staat op het punt om te worden opgeroepen om te loten voor de militaire dienst van 5 jaar. En de regel van de wet in die tijd zegt: als een enige ongehuwde zoon uit een familie inwoont bij zijn ouder(s) en zijn werk is onontbeerlijk om in het onderhoud van die ouder(s) te voorzien, dan is deze man vrijgesteld van de dienst. Alle andere halfbroers van Willem zijn inmiddels getrouwd. Als zijn halfbroer Nicolaas inderdaad overleden is, komt Willem dus in aanmerking voor vrijstelling van de dienst.

Dit heb ik niet zelf verzonnen: Lidewij geeft het officieel op als reden van het opstarten van de hele procedure:

In mijn familie zijn geen verhalen bewaard gebleven over deze kwestie, het vergaan van het schip de Dolphijn in 1870, of de moeizame procedure om Nicolaas Zebel (of Sebel) officieel dood te laten verklaren 18 jaar later. Als een andere afstammeling uit de familie dit leest, die misschien nog wel meer weet uit de mondelinge overlevering: laat een reactie achter onderaan dit blogbericht, dat zou een fantastische aanvulling zijn.

Interessant trouwens ook om te lezen dat de familie blijkbaar zelf gewoon was om de spelling Zebel en Sebel door elkaar te gebruiken. Dat zie je in de bevolkingsregisters ook terug, die wisselende spelling.

Verder lezen

Bronnen van afbeeldingen

Foto van storm op zee: by Hatham on Unsplash

Niet elk familie-verhaal is waar… maar je vindt altijd wat

In elke familie gaan er wel verhalen of uitspraken rond, over de geschiedenis van de voorouders. Het is leuk om eens speciaal in de archieven te duiken om te kijken wat er van waar is. Vaak zit er wel een kern van waarheid in, hoewel soms anders dan je verwacht had. Maar soms kun je er ook niets van terug vinden. Teleurstellend? Jawel, maar er is altijd wel weer wat moois uit de zoektocht te halen.

Het verhaal: een kapitein trouwt met een Filipijnse vrouw

Hendrik Adolf Overgaauw (1911-1997)

Mijn opa Hendrik Adolf (Dolf) Overgaauw (1911-1997), de vader van mijn moeder, had een licht getinte huid en een uiterlijk dat in de verte wel iets Oost-Aziatisch had. Op deze jeugdfoto kun je het wel een beetje zien. En dat terwijl zijn ouders en hun ouders geen enkele link naar het buitenland hadden.

Tegen zijn jongste dochter, mijn tante Carla, heeft hij ooit verteld hoe dat kwam. Een voorouder zou gevaren hebben, en die zou getrouwd zijn met een Filipijnse vrouw. De man zou mogelijk zelfs een kapitein zijn geweest. En het huwelijk zou in 1812 in Amsterdam hebben plaatsgevonden.

Nou, in genealogisch onderzoek is het niet zo moeilijk om terug te gaan tot het begin van de 19e eeuw. Tegenwoordig kom je daarin als je geluk hebt zelfs online een heel eind. En zeker voor Amsterdam zou dat moeten lukken. Dus vol goede moed ben ik op zoek gegaan.

Door middel van online bronnen zoals wiewaswie.nl kom je vrij snel terug in de generaties. Je moet wel systematisch te werk gaan. En vooral niet vergeten ook alle vrouwelijke lijnen terug te zoeken. Eén van de grootste uitdagingen voor mij is om niet afgeleid te raken door nieuwsgierigheid ‘onderweg’. Of niet al te veel in ieder geval. Zo kun je in een paar uur zoeken ver komen. Een aantal takken van de familie komen zeker uit Amsterdam. En ik vond ook een buitenlander: een Henrich Adolph Cramer (of vernederlandst Hendrik Kramer) – broodbakker geboren in Halle, Pruisen, die in 1814 met een Nederlandse vrouw trouwt in Amsterdam. Daar komen mijn opa’s voornamen natuurlijk vandaan. Maar geen hint van een Filipijnse vrouw, of een kapitein, rond 1812, helaas.

Verder terug in de familie?

Tja, mogelijk is het dus een mooi verhaaltje-voor-het-slapengaan van mijn opa aan zijn dochter. Of zou er toch een kern van waarheid in zitten, maar dan langer geleden? Wat nou als het eerder rond 1712 was in plaats van 1812? Dat maakt het ook aannemelijker dat er nog maar zo weinig over bekend zou zijn gebleven in de familie. Maar dat maakt het een stuk moeilijker om te bewijzen. Niet alleen heb je in 100 jaar tijd terug nog weer veel meer voorouders om door te pluizen. Je komt ook in de tijd van voor de burgerlijke stand, waar je het vooral moet hebben van doop-, trouw- en begraafregisters. Vaak nog niet gedigitaliseerd, dus dat betekent fysiek archiefbezoek, mogelijk naar meerdere archieven. En ook moet je geluk hebben, en veel tijd. Ik heb het zelf voor nu maar even opgegeven. Het blijft op dit moment nog een mooi familieverhaal.

Maar – wie weet kan ik gebruik maken van de kracht van het internet. Ik zal hier de lijst geven van de huwelijken rond 1812 in de voorouders van Dolf Overgaauw. Wie weet heeft iemand allang meer genealogisch onderzoek gedaan, en veel verder terug, van één of meerdere van deze echtparen. Heb je daarbij een Filipijnse vrouw gevonden? Ik zou het dolgraag horen!

Frans Leendertsz Overgaauw en Elisabeth Plooij: huwelijk 2-5-1807 in Capelle a/d IJssel

Abraham Ouweleen en Anna van den Berg: huwelijk 24-5-1807 in Overschie

Nicolaas Romijn en Trijntje van der Velde: huwelijk rond 1820 in Kralingen

Mattheus van der Heijden en Catharina Nuij: huwelijk 20-7-1810, Amsterdam

Henrich Adolph Cramer (broodbakker uit Pruisen) en Barendina Jacoba van der Poorten: huwelijk 20-2-1814, Amsterdam

Jan Verbeek en Catharina Davina van Zetten: huwelijk 31-1-1816 in Hurwenen

Emma Verbeek (wsch ongehuwd, zelf geboren in 1788), was moeder van Anthonia Verbeek 4-4-1825, in Geldermalsen.

Zijspoor naar familie in de marine

Tijdens deze speurtocht ben ik toch nog iets over schepen tegen gekomen in de familie. En nog wel bij de zoon van de broodbakker, die naar zijn vader genoemd is: hij heette ook Henrich Adolph Cramer. Hij is de broer van Jacoba Sara Kramer, Dolf’s overgrootmoeder. Toen hij zich in 1836, rond zijn 19e jaar, moest melden voor de dienstplicht, kwam zijn moeder in zijn plaats om hem af te melden. Want hij zelf was op dat moment al in dienst van de marine.

Inlotingsregister Henrich Adolph Cramer

In de twee registers waarin officieel werd vastgelegd dat hij werd vrijgesteld van de dienstplicht worden twee schepen genoemd waarop hij diende: het korvet Boreas en de Euridice. Gelukkig maar, want helaas kan ik Henrich Adolph Cramer niet vinden in de archieven van de marine.

Het fregat Euridice

Het fregat Euridice

Over het schip Euridice is zelfs een hele internetpagina te vinden. Het fregat van 32 stuks kanon is in 1802 te water gelaten. De Euridice heeft oa in 1830 een rol gespeeld bij het bombardement van Antwerpen, tijdens de oorlog bij de oprichting van België. Vanaf 1835 werd zij gebruikt als wachtschip in de haven van Vlissingen, eigenlijk een drijvende kazerne. Daar is Henrich Adolph Cramer gestationeerd geweest, in Vlissingen.

Het sneuvelen van de schout-bij-nacht Lewe van Aduard, 1832, aan boord van de Euridice
Een dramatische gebeurtenis aan boord van de Euridice in 1832 (toen Henrich Adolph Cramer waarschijnlijk nog niet aan boord was)

Het korvet Boreas

Halfmodel van korvet Boreas

Het schip Boreas was een klein fregat van 28 stukken, gebouwd in 1828. Volgens een bericht in de Nederlandsche Staatscourant van 9 september 1836 lag het korvet Boreas op 21 mei 1836 in de haven van Batavia. Ook de Javasche courant van april 1837 vermeldt de Boreas: 8 april 1837 aangekomen in Batavia, onder kapitein-luitenant ter zee D.W. Paling, afkomstig van Makassar, en twee dagen later vertrekkende naar het eiland Onrust, waar een Nederlandse marine-basis was gevestigd.

Haven van Batavia rond 1840
De haven van Batavia rond 1840

Het lijkt er dus echt op dat Henrich Adolph Cramer, de zoon van de Duitse broodbakker, geboren te Amsterdam, in die jaren als matroos in de marine in Indonesië is geweest. Zou hij misschien geïnspireerd zijn door een familieverhaal van zijn moeder over een voorouder die kapitein was en met een Filipijnse vrouw trouwde? Maar daar gaat mijn fantasie weer met me op de loop. Ik stel me in ieder geval zo voor dat hij de rest van zijn leven mooie verhalen kon vertellen over zijn zeereizen. Hij trouwde in 1844 in Amsterdam, op 27-jarige leeftijd, kreeg 10 kinderen en werkte in de loop van zijn leven onder andere als vlotter, koopman en werkman, in Amsterdam.

Wat een vlotter doet? Ik heb eerlijk gezegd geen idee. Zie je, zo komt er nooit een eind aan de mogelijkheden om door te zoeken in je familie! Als iemand het weet, hoor ik het graag. Anders is dat een zoektocht voor een volgende keer.

Verder lezen

Bronnen

Klapperlieden in Arnhem, 1727

Voorblad pamflet klapperlieden in Arnhem 1727

Ook in de 18e eeuw probeerde het gemeentebestuur te zorgen voor de veiligheid van haar burgers. Er werden mannen aangesteld om ’s nachts de ronde te doen in de straten: de klapperlieden, of kleppermannen. De boa’s van de 18e eeuw.

De context: de klepperman

De klepperman of klapperman werd aangesteld om ’s nachts de ronde te doen door de straten. Hij riep ieder uur de tijd om, bij het klappen van de klepper. Maar vooral was het zijn taak om problemen voor te zijn. Hij controleerde of de straatlantaarns werkten, en of iedereen die op straat liep ’s nachts zelf ook een lantaarn bij zich had. Dat was verplicht. Dieven en ander gespuis kon hij aanhouden en naar de wacht op het raadhuis brengen. En bij brand sloeg hij alarm en hielp de brandweer bij het blussen. In steden waren meestal meerdere klapperlieden in dienst, die ieder hun eigen ronde liepen. Door luid met de klepper te klepperen konden ze alarm slaan en de andere klapperlieden, de wachters, de brandweer en de rest van de burgers te hulp roepen. Het salaris van de klepperman werd bijeengebracht door een speciale belasting onder de bevolking van de gemeente: het klappergeld.

Klepperman met zijn klep, Amerongen, rond 1920. Foto uit filmfragment van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.
Klepperman in Amerongen rond 1920, still uit film van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid

Voor zover ik kan vinden in een snelle zoektocht online stammen de eerste vermeldingen van kleppermannen uit de 17e eeuw, en waren de laatste kleppermannen in functie in de jaren ’20 van de 20ste eeuw. Er is een mooi film-fragment van een klepperman in Amerongen, in 1920 (het fragment gaat nog door na het beeld van de wegrennende jongens). In scene gezet, want hij liep normaal gesproken natuurlijk alleen ’s nachts langs de straten. En helaas zonder geluid, dus je hoort niet het klappen. Maar ik kan me zo voorstellen dat de klapperlieden in Arnhem in 1727 er niet veel anders bijliepen.

Het document: instructie voor de klapperlieden binnen de stad Arnhem 1727

In dit pamflet (zie in de bijlage de complete tekst) staan alles instructies voor de acht klapperlieden aangesteld door de gemeente Arnhem in 1727, uiteengezet in 23 artikelen. Het uur waarop hun werk begint en eindigt, in de verschillende jaargetijden. Hun gage: 120 gulden per jaar, plus elke 3 jaar kleding ‘als vanouds’. En ze moesten vooral ‘nuchter en onbeschonken’ zijn.

Artikel III uit het pamflet Instructies Klapperlieden

Hun taken staan goed omschreven: hoe vaak ze moeten klepperen en waar ze allemaal op moeten letten. Plus instructies wat ze moeten doen als ze verdachte personen zien. Bij kleine baldadigheden als schreeuwen, of als iemand geen licht bij zich heeft, mogen ze volstaan met een waarschuwing geven, en de volgende ochtend de naam van de persoon aangeven bij de burgemeester (blijkbaar was de stad nog klein genoeg dat een beetje klepperman de meeste mensen van naam kende). Maar als het gaat om dieven of bijvoorbeeld personen die ‘ijzer of houtwerk van de goten wringen’, dan mochten ze dat vooral niet oogluikend toestaan: zulke personen moesten gelijk opgepakt worden en naar de wacht in het raadhuis gebracht worden. Nog een taak waar ze zich nuttig bij konden maken: als het vroor, moesten ze ’s nachts regelmatig de publieke pompen gebruiken, zodat die zo lang mogelijk niet dicht vroren.

Artikel V pamflet instructies klapperlieden

Ze mochten geen klompen of schoenen met houten zolen dragen – vanwege het lawaai, en ook omdat hen dat te langzaam zou maken om een dief achterna te zitten. Dat klepperen ieder uur, plus het omroepen van de tijd, zal niet iedereen prettig gevonden hebben voor een goede nachtrust. In het 4e artikel staat expliciet gemeld dat een klepperman geen straat zomaar mag overslaan, ook niet op een verzoek van een bewoner, ‘’t zy op voorwendzel van ziekte of anders’, tenzij de burgemeester daar toestemming voor geeft.

Trouwregister 1727 Jan van Munster en Evertje Mellegers
Trouwregister 1736 Henrik Witvelt en Maria van Kreel

En wat het helemaal tot leven wekt: er staan meerdere namen vermeld in het document. De binnenstad van Arnhem werd verdeeld in vier kwartieren, en er worden twee klapperlieden toegewezen aan ieder kwartier. Ook staan er namen van eigenaren van huizen in Arnhem, als aanduiding van de route. Ik heb de namen onder aan deze blog uitgetypt, in de hoop dat iemand die zijn voorouder googlet zomaar hier terecht komt en het document vindt. Bij een snelle zoektocht heb ik ook twee van de namen gevonden via wiewaswie.nl – maar pin me hier niet op vast. Er is een Jan van Munster die in oktober 1727 in Arnhem trouwt met Evertje Mellegers, en werd begraven in 1746. En een Hendrik Witvelt die voor de tweede keer (als weduwnaar van Maria van Gulik) trouwt met Maria van Kreel in 1736, en sterft in 1758. Om echt te bewijzen dat deze mannen de klapperlieden waren is wel wat meer werk nodig, denk ik. Maar dat is niet de bedoeling van deze blog.

Detail uit plattegrond van Arnhem door Hattinga 1751

En dan nog: waar liepen de klapperlieden nou precies? Het staat van straat tot straat beschreven. Ook hier voert het te ver voor mij hier om het helemaal uit te zoeken. Maar om even bij Jan Munster en Hendrik Witvelt te blijven: zij liepen door het noordelijke deel van de stad. Ze startten aan ‘het Land van de Markt’ (de blauwe ruit), kwamen onder andere op de St Jans Plaats (groene ruit) en eindigden aan de Velperpoort (oranje ruit). Hierboven op de prachtige plattegrond van Hattinga uit 1751, hieronder op een moderne plattegrond van stadindex.nl.

Moderne plattegrond Arnhem van Stadindex

Zoals hoort bij een interessant stuk roept het nog veel meer vragen op. Heb jij meer informatie over deze personen? Ken je Arnhem goed en kun je beter wijs uit de omschreven rondes? Of weet je bijvoorbeeld wat er bedoeld wordt met de ‘bijslag’ van de kuiper, of met ‘pierenzoekers’ (zie artikel VII)? Ik hoor het erg graag. Laat een reactie achter onder aan deze pagina!

Genoemde klapperlieden in Arnhem 1727
  • Willem van Heusden
  • Ruth Tuysman
  • Hendrik Martens
  • Anthony Blaauw
  • Jan Munster
  • Hendrik Witvelt
  • Erasmus ten Westen
  • Evert Nes
Andere namen in het document:
  • kuiper Hermannus van Renssen (in de Broerenstraat)
  • Burgemeester Spoltman (in de Vijselstraat)
  • Abraham Dankfoort (hoek Broerestraat)
  • Beekhuysen (op den Grooten Oort)
  • Bolk (op den Grooten Oort)
  • Gerhardus Terhoeven (aan het Land van de Markt)
  • Jacob Zurich (voorheen eigenaar pothuis op de Markt)
  • Jan van Tongeren (nu eigenaar van het pothuis)
  • Engelb. opten Noorth, secretaris

Het gehele document

Voor inzage van het hele document, en een transcriptie van de tekst – zie de bijlage bij deze blog.

Verder lezen

Bronnen

Kralingen, foto van Micheile Henderson

Het adres van mijn overgrootvader

Een adres is één manier om een persoon of een stamboom wat meer tot leven te brengen. Het bevolkingsregister is vaak een goede plek om te beginnen (na 1811 natuurlijk). Als voorbeeld: mijn overgrootvader Nicolaas Overgaauw, geboren en getogen in Kralingen.

De context: Nicolaas Overgaauw

Nicolaas Overgaauw (1874-1947) was de vader van de vader van mijn moeder. Hij werd geboren op 19 augustus 1874 in Kralingen. Bij zijn geboorte was Kralingen nog een zelfstandige gemeente, maar in 1895 werd het een wijk van Rotterdam. Nicolaas werkte als klerk en administrateur, onder andere bij de gasfabriek. In 1909 trouwde hij met Barendina van der Heiden (1884-1981). Ze kregen samen drie kinderen, waaronder mijn opa, Dolf Overgaauw (1911-1997). Is dit niet een prachtige foto van het gezin? Ik denk van rond 1930.

Foto van Nicolaas Overgaauw en zijn gezin, 1930

Het gezin, van links naar rechts: Abraham Cornelis Overgaauw (1910-1996), Wilhelmina Antonia (Wil) Warnaar-Overgaauw (1916-?), Nicolaas Overgaauw (1874-1947), Barendina Jacoba Overgaauw-van der Heiden (1884-1981) en Hendrik Adolf (Dolf) Overgaauw (1911-1997).

Het document: een gezinskaart uit het Stadsarchief Rotterdam

Gezinskaarten waren tussen 1880 en 1941 een onderdeel van het bevolkingsregister. Er is een schat aan informatie op te vinden. Lees daar meer over op de website van het Stadsarchief Rotterdam. Voor dit stuk beperk ik me tot de kolom “Huizing” op de achterkant van de gezinskaart: het adres. Bij een verhuizing binnen Rotterdam werd het oude adres doorgestreept en het nieuwe adres toegevoegd. In de ruim 30 jaar tussen 1909 en 1941 heeft Nicolaas Overgaauw met zijn vrouw op 3 adressen in Kralingen gewoond: Sophiakade 9a, Jaffadwarsstraat 10 en Oudedijk 247a.

Google maps Kralingen

De drie adressen zijn snel te vinden op Google maps natuurlijk. Ze liggen dicht bij elkaar. Nog mooier is het om het op te zoeken op een kaart van rond die tijd. En er oude foto’s of prentbriefkaarten bij te zoeken.

Detail plattegrond 1920 (zie bron hier beneden)

Oude prentbriefkaarten: Links boven (of 1e foto): Oudedijk Rotterdam, 1930, gezien vanaf hoek Jericholaan (Stadsarchief Rotterdam). Links onder (of 3e foto): Oudedijk Rotterdam 1946 (SERC), Rechts boven (of 3e foto): Sophiakade 1920 (SERC). Rechts onder (of 4e foto): Sophiakade 1938 (Stadsarchief Rotterdam). Bronnen met links: zie beneden.

Dan de vergelijking met hoe het er nu uit ziet. Hoeveel is er nog bewaard uit het begin van de 20ste eeuw? Volgens de kaart van de brandgrens zouden deze straten gespaard zijn in het bombardement van Rotterdam in 1940. Maar dat wil nog niet zeggen dat de huizen ongemoeid zijn gelaten. Het liefst was ik er heen gereisd om er zelf rond te lopen. Maar in deze coronatijd kan ik het niet echt aan mezelf verkopen als een ‘noodzakelijke reis’. Dus dat moet even wachten. Nu maar mezelf tevreden stellen met Google Street View.

Bovenste rij: links: Sofiakade 2018: dat moet nieuwbouw zijn. Midden: Jaffadwarsstraat 2018: dat lijkt nog wel te kunnen voor de eerste helft van de 20ste eeuw. Rechts: Oudedijk 247a is de deur direct rechts van de sportshop, de winkel op de begane grond is veranderd, maar de gebouwen zijn hetzelfde. Onderste foto: zelfde blik als de prentbriefkaart uit 1930 hierboven, maar dan in 2018. Daar heeft mijn overgrootvader gewoond! Bron: Google Streetview.

Ter aanvulling heb ik nog de herinneringen van mijn moeder en haar zus uitgevraagd. Mijn tante kan zich de deur van het huis aan de Oudedijk nog vaag herinneren van vroeger. Later, als weduwe, woonde haar oma (Barendina dus) aan de Noorderhavenkade in Rotterdam. Haar vader (mijn opa) woonde nog aan de Oudedijk toen hij mijn oma ontmoette in de jaren ’30, bij de tennisclub in de buurt.

Ken jij Kralingen-West? Heb je foto’s of informatie over deze adressen, het liefst uit de eerste helft van de 20ste eeuw? Laat het me weten in een reactie hieronder!

Verder lezen

Bron van documenten

Foto kop: Kralingen: Photo by Micheile Henderson on Unsplash